Crazy Plant Lady

04/05/2014 § 3 reacties

Sinds enkele jaren ben ik een plantenverslaafde. Bepaalde mensen met wie ik heb samengewoond beschuldigden mij er zelfs van op elke lege oppervlakte dwangmatig allerlei planten te zetten. Tegenwoordig moet ik zelfs nieuwe oppervlakten creëren om meer planten te kunnen zetten. Van Papzak mag ik er zelfs geen meer kopen!

Ik koop mijn planten overal: in plantenwinkels (duhh), maar ook in supermarkten (Albert Heijn <3) of winkels als “den Brico” en Ikea. Ik zet ze overal: op kasten, tafels, togen, bij de konijnen en zelfs in de badkamer.

Het feit ik absoluut geen zak van planten afweet, heeft mijn ontluikende passie nooit kunnen temperen. Elke week ga ik met mijn gietertje, fancy plantenaardevochtigehidsmeter -die ondertussen eigenlijk stuk is en eerder als een soort placebo-pendel figureert- en (gebrek aan) logisch verstand op pad om al mijn plantjes genoeg (vaak te veel) water te geven. Sommige planten zijn aan mijn overenthousiast gewater een pijnlijke, rottende dood gestorven, maar door de jaren heen heb ik toch een mooie verzameling bij elkaar gespaard: de oudste plant is 15 jaar, de meeste zijn 1-3 jaar en in de laatste 4 maanden heb ik er 8 nieuwe gekocht (how shameful).

Toen ik enkele maanden geleden mijn planten weer eens verpot had, waarna ik dus alle te klein geworden bloempotten wel “moest” vullen met nieuwe planten, en ik eigenlijk echt geen plaats meer had om er nog te zetten, besefte ik dat het een probleem was geworden. Uit interesse -en om te checken of er echt wel geen plaats meer was voor meer planten- berekende ik mijn planten/appartement-ratio.

Ik heb 24 planten in een appartement van ongeveer 66m². Dat is meer dan 3 planten per 3m² (!!), ofte 0,36 planten per m² (!!!). That officially makes me a Crazy Plant Lady.

Bereken gerust uw eigen plant/m²-ratio en kom uw Plant Lady gehalte te weten:

chart0

Omdat mijn planten awesome zijn, maar vooral omdat ik een Crazy Plant Lady ben, vinden jullie hieronder mijn hele plantenverzameling in de vorm van collectable cards. Sommigen hebben zelfs special abilities!

Dat ik geen hol afweet van planten, werd overigens weer bevestigd toen ik al mijn planten een naam moest geven voor de kaartjes. Ik denk dat enkel “sansevieria”, “bananenplant”, “vetplant” en “kattengras” enigszins correcte benamingen zijn. Ik was megatrots op mezelf toen ik “bloemplant” had bedacht, maar kwam dan weer vast te zitten en ben uiteindelijk schaamtelijk gestrand op onder meer het onnozele “bladplant”, het nog onnozelere “blaadjesplant”, het weinig originele “lichtgroene plant” en het inspiratieloze “hangplant”.

bamboe0vetplant0

roos20roos10

hangplant10hangplant20

vrouwentongen0 klavertjes0

kattengras0  bananenplant0

bladplant10 bladplant20

blaadjesplant20 blaadjesplant10

spriet20 spriet10

bloemplant0

oercactus0  cactus20

cactus50cactus30

cactus40  cactus10

cactus60

Advertenties

Disproportioneel lastige dingen

27/04/2014 § Een reactie plaatsen

Van sommige dingen weet iedereen dat ze lastig zijn. Aanschuiven voor koffiekoeken op zondag, in de file staan, dringend batterijen nodig hebben maar er geen vinden en dus de batterijen uit uw tv-kaske moeten nemen, roltrapleuningen die sneller gaan als de roltrap zelf, bellen naar de klantendienst van Scarlet, pendelen… Slechts enkele voorbeelden van overduidelijke ergerlijkheden die een mens in zijn leven moet doorstaan. Sommige dingen zijn echter eveneens uiterst onuitstaanbaar, maar dermate triviaal, dat er minder aandacht aan wordt besteed. Op deze blog is er echter wel een plaats voor zulke dingen: deze post gaat over onbenullige, maar disproportioneel lastige dingen, problemen waarvan het belang omgekeerd evenredig is met de ergerlijkheid ervan.

Fietsen op de Rooseveltplaats is zo’n disproportionele marteling. Wat een simpel fietstochtje van 5 minuten zou moeten zijn -van mij thuis naar het station-, mondt dagelijks uit in hartkloppingen, omgevallen bomma’s en scheldpartijen. Vooral het stuk van de Gemeentestraat, na het oversteken van de Van Ertbornstraat, waar tram 10 en 11 stoppen, is een aartsmoeilijk hindernissenparcours van mensen die rustig staan te chillen, mensen die bruut van de trams stappen, bomma’s die verdwaald zijn en koppeltjes die rustig aan’t wandelen zijn. OP HET FIETSPAD. Ik begin al 10 meter op voorhand te rinkelen met mijn fietsbel, waardoor 24% van bovengenoemde mensen rond zich begint te kijken, zich afvragend wie er in de weg loopt “want ik ben het zeker nie”, 27% van bovengenoemde mensen zich omdraait en een stap doet in de richting waarnaar ik met mijn fiets net aan het uitwijken was en de overige 49% kwaad wordt omdat ik durf te fietsen op een fietspad (OMG!). De onverklaarbare doch legendarische verkeersagressie die in mij schuilt -een blogpost op zich waard-, gecombineerd met een ochtendhumeur, kan alleszins goed botvieren zo ’s ochtends om 8u09 daar op de Rooseveltplaats, als ik weer eens een hersenloze troep mensen probeer te ontwijken en spitsvondige scheldwoorden tracht te bedenken om terug te roepen.

roosevelt00

Een ander huis-, tuin- en keukenprobleem is het vinden van het begin (of het einde, ’t is maar hoe ge het bekijkt) van de plakband. Plakband is handig voor vanalles en nog wat en losse rolletjes nemen minder plaats in beslag dan van die zware lelijke plakbandhouders, maar ze zijn ook ongezien kwaadaardig. Ik kan echt NOOIT het eindje van de plakband vinden: het lijkt wel alsof het rolletje na elk gebruik het eindje opslokt zoals een Hellmouth de wereld zou opslokken. Ik begin dan geërgerd te krabben overal aan het rolletje en meen dan, als bij wonder, plots een niveauverschil op te merken, waarna ik nog harder begin te krabben en menig nagel breek, om dan tot te conclusie te komen dat het gewoon een stukje verfrommelde plakband was, maar niet het begin/einde van de plakband. Na 879978 keer tevergeefs het rondje te hebben gedaan, verander ik eens van richting om misschien zo eindelijk aan mijn knutselwerk te kunnen beginnen, maar ook dat brengt vaak geen verlossing. Soms probeer ik nog met een ander rolletje plakband, maar even vaak probeer ik het gebrek aan plakband op te lossen door mijn speeksel dan maar te gebruiken als plakmiddel. Just kidding. Maybe.

plakband0

 

Waar ik ook helemaal krankzinnig van word, is als ik naar muziek wil luisteren en mijn oortjes helemaal verstrengeld uit mijn sacoche komen, alsof haatdragende kaboutertjes die kabeltjes ’s nachts met opzet in knopen komen leggen. Ik begin bij het aanschouwen van het oortjeskluwen dan steeds als een hysterische zottin at random te trekken aan de kabeltjes, alsof dat de beste methode zou zijn, om dan steeds gefrustreerder te geraken bij het zien toenemen van de oortjeschaos. Om een of andere reden kan ik mij echter niet beheersen om rustig het boeltje te ontwarren, doch benader ik de verstrengelde oortjes als een nest giftige slangen die zo snel mogelijk op gewelddadige wijze geliquideerd moet worden.

oortjes

Ik ben sowieso al geen fan van supermarkten -ik lijd aan een vorm van supermarktstress en ik beland ook altijd, ALTIJD, in de traagste rij aan de kassa-, maar geef toe: ze maken het niet makkelijk voor de motorisch minder begenadigden onder ons! Ik weet alleszins dat zowel Papzak als ikzelf moeilijkheden ondervinden bij het openen van die plastiekzakjes bij de groenten en fruit. Ze plakken zo hard aan elkaar dat ik vermoed dat er iemand in de supermarktenzakjesfabriek ook de speeksel-in-plaats-van-plakband-truc hanteert. Nog lastiger is het als het niet duidelijk is wat de boven- en achterkant is van het zakje: dan zijt ge dubbel zolang bezig met wrijven, prutsen en zuchten, totdat een vriendelijke meneer met magic hands u uit uw lijden komt verlossen.

zak

Een laatste first world problem zijn de conflicten op de Digibox. Als grote tv- en filmfan volg ik talrijke programma’s op allerlei verschillende zenders. Hoewel ik een fancy Digicorder heb van Telenet en maandelijks massa’s geld neertel voor een Whoppa-abonnement, word ik wekelijks geconfronteerd met “opneemconflicten”: blijkbaar kunnen er maar een beperkt aantal programma’s tegelijk worden opgenomen (al lijkt het ook af te hangen op welke zenders). Telkens ik iets wil programmeren en mijn Digibox aangeeft dat er een conflict is en ik dus een programma moet on-programmeren, begin ik te zweten, krijg ik keuzestress en overvalt mij het gevoel van moeten kiezen tussen mijn denkbeeldige kinderen of moeten kiezen tussen een moelleux of een chocomousse.

digibox

 

3 pleziertjes van een pendelaar

12/04/2014 § 3 reacties

Eerder op deze blog: “3 ergernissen van een pendelaar”.

Nu op deze blog: “3 pleziertjes van een pendelaar”.

Waarna u een weloverwogen mening kan vormen om deze onnozele poll in te vullen:

 

3 pleziertjes van een pendelaar

Hoewel ik niet bepaald bekend sta om mijn genuanceerde uitspraken (er is geen woord dat ik schuw!), wil ik op deze blog liever niet de cynische zak uithangen. Om die reden kon een positief vervolg op voorgaande rant over mijn pendeling/perndelement niet ontbreken. Bij deze: 3 stiekeme pleziertjes van een pendelaar.

1. Aangezien ik niet bedeeld ben met een enigszins ontwikkelde fijne motoriek (elke dag kap ik per ongeluk cola naast mijn mond; dan voel ik plots een plakkerige vloeistof in mijn decolleté; smerige boel en zeer awkward), verkeer ik in de onmogelijkheid een papieren krant te lezen. Dat ding manoeuvreren is onbegonnen werk en hoe dan ook beginnen mijn armen na een tijdje ook wel pijn te doen (best zware lectuur, zo’n krant). Ik lees mijn nieuws dan ook online, de hele dag door, beginnend van tijdens mijn ontbijt op de iPad, over op mijn bureau op de desktop, tot ’s avonds op de zetel. En toch, tóch, kan ik het niet laten om mee te lezen als er naast mij op de trein iemand zit die de Metro aan’t bekijken is. Ik begin innerlijk al te trappelen als er naast mij iemand komt zitten die eruitziet alsof hij wel nieuws-gierig is en word helemaal wild als hij op zijn iPad deStandaard begint te lezen. Ik gluur zo schaamteloos mee over die persoon zijn schouder dat ik soms merk dat ze de bladzijde niet durven omdraaien aangezien ik nog niet klaar ben met lezen. I approve of this. Een enkele keer was mijn gratis meegloeren zo overduidelijk, dat de man -wiens Metro ik met mijn ogen aan het begeren was zoals de Zoo de panda’s van Pairi Daiza begeert- mij zijn krant aanbood toen hij ging uitstappen in Mechelen. Ik heb het aanbod uit beleefdheid aanvaard, maar, laten we eerlijk zijn, die krant interesseert mij geen kak meer en verwordt tot een papieren informatievod eens ik er uitdrukkelijke toestemming en vrije toegang toe heb.

2. Naast de creepy krantengluurder/leecher in mij, komt ook de autist in mij goed aan zijn trekken tijdens mijn dagelijks pendelement. Ik probeer ’s ochtends steevast op dezelfde trein, in dezelfde wagon en op dezelfde plaats te gaan zitten en merk dat ook andere pendelaars zich hardnekkig aan hun vast plekje houden. Zo heb ik in de voorbije drie jaar verschillende mensen leren kennen die ik probleemloos kan situeren in de laatste wagon van de trein van 8u17 in Centraal: jongen met plooifiets die op Jejoen Bontinck lijkt, donkerharige man met bril en iPad, Franstalige 50-jarige vrouw met bril, man die altijd de zonnewering half naar beneden doet om er tegen te slapen, twee blonde meisjes waarvan een altijd haar make-up doet op de trein, man die op Kirk uit “Gilmore Girls” trekt, meisje met fleurige kleedjes, man met Harry Potter-achtige bril die in Berchem opstapt en pas 10 minuten later gaat zitten, meisje dat het parfum “Angel” van Thierry Mugler draagt, jongen met O’Neill-rugzak, etc. Slechts een kleine selectie van personen die ik ’s ochtends op de trein tegenkom. Met geen een van hen heb ik ooit een gesprek gehad dat verdergaat dan “Is die plaats bezet?” of “Ja, ge moogt een bik lenen om uw Go-Pass in te vullen”, maar toch ben ik tamelijk gehecht aan deze vaste gezichten. Ze zitten, zoals men zegt, in mijn Monkeysphere. Dat pendelen goed kan zijn voor networking, wist ik al langer. Zo treint de Antwerpse delegatie van mijn werk -zowel rechters, als attachés, als mensen van de juridische dienst, als coördinatoren- regelmatig samen, wat tot menig niet-jobgerelateerd gesprek én een succesvol quizteam (“Spoor 11”) heeft geleid. Ook mijn vriendschap met I.V.d.B. (“Papzak”) -toen we nog beide in “den 2060” woonden, met slechts het Atheneum dat onze appartementen van elkaar scheidde- heeft veel baat gehad bij het pendelen. We hebben maandenlang ’s ochtends samen de trein genomen, waardoor ik bij bovengenoemde medereizigers ongetwijfeld in hun Monkeysphere zit als “meisje dat vroeger op de trein zat met Papzak, waarmee zij schaamteloos praatte over hun seksleven, over drolletjes-naast-de-kattenbak van een zekere Romulus, over N-VA, over schriftelijke procedures, over raam- en dakisolatie, over avonturen van een doof konijn genaamd Bobke, over verhuizen en over prikklokken”. Of als “creepy krantengluurder/leecher” en “raar mens dat foto’s trekt van kleine zwarte paardjes” (zie onder), dat kan ook.

3. Wat de autist in mij ook zeer pleziert, is het vaste stramien van huisjes-tuintjes-boompjes dat passeert langs het raam op mijn vaste plaats in de trein. Als een kritische werfleider volg ik alle werken op die zich bevinden langs de sporen Antwerpen-Brussel. Zo is er de nieuwe fietsenstalling bij het station van Hove, de “fietsostrade” die tot Mechelen werd aangelegd en die ik elke week een beetje verder zag reiken, de gigantische werf bij Mechelen-station waar ze precies twee voetbalstadions gaan installeren (zo gigantisch is het) en de nieuwe autoparking bij Schaarbeek. Ook als dierenvriend kan ik mijn hart ophalen tijdens het pendelen: ik zie honden die worden uitgelaten, paarden die aan jumping doen, er zijn sinds een week babyschaapjes geboren in een wei, er passeert een hondenschool, en ik zie ’s ochtends vaak een man eten geven aan alle vogels in de buurt en, als hij nog niet geweest is als mijn trein passeert, zwermen de vogels ongeduldig boven zijn tuin. Maar het meest kijk ik uit naar Pixel, een klein zwart paardje dat ik die naam gaf omdat er ergens op een brug “pixel” ge-graffiti-d staat. Pixel staat bij een klein lief huisje, vlak na het station Sint-Katelijne-Waver en is megaschattig. Soms staat hij in een grote wei achter het huis, maar ik heb hem spijtig genoeg al enkele weken niet meer gespot. Mogelijk staat hij (tijdelijk) ergens anders te chillen en duikt hij binnenkort terug op in mijn gezichtsveld. Pixel is zelfs te vinden op Google Maps!

Met mijn GSM getrokken vanuit de trein:

Pixel 1 Pixel 2

Op Google Maps:

pixel 3 pixel 4

 

Uit de oude doos: “3 ergernissen van een pendelaar”

10/04/2014 § Een reactie plaatsen

Geschreven op 12 april 2012 (twee jaar geleden), maar nooit gepubliceerd:

 

3 ergernissen van een pendelaar

sinds een half jaar ben ik een (hard)werkende medemens. elke dag begeef ik mij op de fiets naar het centraal-station (ongeveer 2 minuten), waarna ik een hemeltergend saaie en uiterst onaangename drukke treinrit van 37 minuten moet doorstaan en ik ten slotte van brussel-noord naar mijn werk wandel (7 minuten).

de gemiddeld-opmerkzame lezer heeft wellicht uit de vorige paragraaf reeds afgeleid dat ik geen fan ben van pendelen. omdat het zeer ergerlijk is wanneer mensen een sterke mening uiten maar die niet verder onderbouwen, volgt nu een meer uitgebreide uiteenzetting over de negatieve punten van mijn dagelijkse pendeling (pendelement?).

1. de hel der pendelen beperkt zich niet alleen tot het treingebeuren sensu stricto. ook het station zelf bezorgt mij al menig frustratie: om te beginnen zijn de roltrappen in antwerpen-centraal (maar ook overal elders) behept met een verborgen gebrek (zie mij goochelen met rechtgeleerde terminologieën! straks ga ik nog hoofdletters gebruiken!). dit gebrek belet armzalige pendelaars ervan een hele roltraprit rustig te chillen: wanneer men immers op de roltrap stapt en men zijn hand/elleboog/arm steunt op de leuning, wordt men na verloop van tijd op diabolische wijze ge-tweeën-deeld omdat de leuning van de roltrap ongeveer dubbel zo snel rolt als de trappen. hoewel een goede stretch wel eens aangenaam kan zijn, apprecieer ik het niet dat dit mij tweemaal daags ongevraagd wordt opgedrongen. ik vind dit dan ook, ingenieur-technisch gezien, totaal onvergefelijk: wat is immers het nut van een leuning als men er niet efficiënt op kan leunen!?

2. de gemiddeld-opmerkzame en bovengemiddeld-betweterige lezer stelt zich nu ongetwijfeld de vraag: “waarom neemt sanne dan niet de lift in het centraal-station?”. wel, de lift nemen is evenzeer frustrerend. het is mij opgevallen dat, bij het opengaan van liftdeuren, sommige mensen kennelijk elk begrip van elementaire beleefdheid plotsklaps verliezen: zij beginnen te duwen, voor te steken, deuren te blokkeren en meer van dat egoïstisch apengedrag. als ik bij het willen uitstappen van de lift weer eens over een hordetraject van kinderwagens en aktetassen moet springen, kan ik serieus de mensheid en het pendelen vervloeken.

3. eens op het perron aangekomen, moet uiteraard nog de ergste ergernis van het pendelen komen: de vertragingen. er zal altijd wel een of andere reden voor zijn, maar deze zijn zo divers en onvoorspelbaar dat de autist in mij hier zeer ongemakkelijk van wordt. ik voelde mij dan ook genoodzaakt allerlei vergezochte en onrealistische theorieën te bedenken over de vertragingen bij de nmbs; zo is er de zo goed als waterdichte theorie dat de eerstvolgende trein naar antwerpen altijd vertraging heeft als ik de trein plan te nemen met mijn collega Axe. (zijn naam is Axel, maar de afkorting Axe. is wel veel cooler).

ndvr: Ik heb de laatste zin over Axel moeten vervolledigen, blijkbaar was de inspiratie destijds plotsklaps op, en er is dus ook geen logisch doch superspitsvondig einde.

tweede nvdr: Ik heb nog steeds dezelfde ergernissen als twee jaar geleden, maar heb ondertussen ook de theorie ontwikkeld dat ik grotere kans op treinvertraging heb als ik de trein wil nemen met mijn collega Annemi. (Annemie).

derde nvdr: binnenkort op deze blog: “nog-nader-te-bepalen-aantal pleziertjes van een pendelaar”!

“Slordig in haar hele wijze van doen” (maar wel een schatje)

01/01/2013 § 7 reacties

Iemands karakter zou al in zijn eerste levensjaren gevormd worden. Dat ik grotendeels onveranderd ben gebleven sinds ik 7 jaar was, werd me duidelijk toen ik gisteren aan het opruimen was en mijn rapporten van de lagere school tegenkwam (5 jaar tot 11 jaar).

De top vier van eigenschappen die mij werden toegeschreven door mijn leerkrachten destijds:

1. Kritisch; veel commentaar hebben

capriolen-rapporten 004
(eerste leerjaar)

capriolen-rapporten 008
(derde leerjaar)

capriolen-rapporten 009
(derde leerjaar)

capriolen-rapporten 016capriolen-rapporten 017
(zesde leerjaar)

2. Slordig; niet nauwgezet

capriolen-rapporten 006
(tweede leerjaar)

capriolen-rapporten 007
(tweede leerjaar; het wordt groffer en groffer!; maar ’t is toch slaan en zalven dat ze doen)

capriolen-rapporten 019
(zesde leerjaar; mijn recht van antwoord)

3. Praatziek

capriolen-rapporten 005
(eerste leerjaar)

capriolen-rapporten 015
(vijfde leerjaar)

capriolen-rapporten 014
(vijfde leerjaar)

4. Ik ben een schatje

capriolen-rapporten 010
(vierde leerjaar)

capriolen-rapporten 011
(opnieuw vierde leerjaar)

capriolen-rapporten 012
(nog eens vierde leerjaar; op die juffrouw had ik duidelijk een goede indruk gemaakt, zie me gaan!; *impressed door mezelf*)

capriolen-rapporten 007
(tweede leerjaar; mijn slordigheid was kennelijk aandoenlijk op een of andere manier)

capriolen-rapporten 008
(derde leerjaar)

Gevraagd aan Jeroen of hij mij in bovenstaande opmerkingen herkende, antwoordde hij veelbetekenend (en ik parafraseer)  “Ja, gij zaagt veel, ge praat veel, ge praat slordig, ge wandelt slordig, ge zijt onhandig en ge gooit kleren op de grond”. Maar hij vindt mij wel een schatje :D.

Uit de oude doos: “Het ontvoerde prinsje” (1995-1999)

16/11/2012 § 9 reacties

Als kleine Sanne schreef ik graag verhalen. Ik herinner mij verhalen die ik schreef over olifanten, spoken, tovenaars, indianen (sorry, “Native Americans”), maar ook over thema’s die me nauwer aan het hart lagen, zoals zieke mama’s.

Onderstaand verhaal, genaamd “Het ontvoerde prinsje”, schreef ik voor de verjaardag van mijn neefje, Steven. Het was blijkbaar een werk van lange adem, want als ik de cover mag geloven deed ik over dit meesterlijk stuk literatuur vier jaar (1995-1999). Op de achterkant van het schriftje staat een korte samenvatting die de nieuwsgierigheid van de lezer moet prikkelen: “Dit verhaal gaat over een héél dom prinsje. Wanneer hij koning word neemt hij al het geld van de mensen af. Hoe hij word gestraft lees je maar!”. Nu prikkelt het vooral mijn dt-fouten-radar. Ook gaf ik een indicatie voor welke leeftijd het verhaal geschikt was: “5 – 7 jaar”, iets jonger als ikzelf destijds. Kennelijk schatte ik mezelf als schrijver hoger in dan mijn leeftijdsgenoten als lezer. Bovendien staat er op de voor-en achterkant wel vier keer mijn naam, kwestie van zeker te zijn dat niemand mijn geniale schrijfsels voor de zijne zou aanzien.

Los van het feit dat het verhaal gebukt gaat onder talrijke dt-fouten en het afwisselend verkeerd dan wel goed schrijven van het woord “koningin” (soms “koniging”), snijdt het enkele relevante hedendaagse thema’s aan: rechtvaardigheid, armoede, goed en kwaad, de (on)zin van het koningshuis, de opvoeding van probleemkinderen, het verdwijnen van kroonjuwelen, de herverdeling van de welvaart, alsook “pipi en kaka in de broek” en “snoepen tot de tanden geel zien”. Als uw nieuwsgierigheid nu nog niet geprikkeld is, dan weet ik het ook niet meer!

In het geval jullie zich afvragen welke briljante, dan wel zieke geest achter dit verhaal zat: een klein overzicht aan de hand van foto’s tot aan 1999 (het jaar waarin bovenstaand boek werd afgewerkt). Mijn babyjaren heb ik eruit gelaten omdat ik allergisch was aan melk en door de uitslag ervan een heel lelijke baby was. (Voor degenen die mij niet herkennen op de foto’s: ik was de jongste thuis en had een oudere broer en zus).

Google en de goddelijke creatie van de princekoek

10/11/2012 § 3 reacties

Mijn blog is intussen al een jaar en half oud, en ongeveer een half jaar inactief. Toch krijg ik nog regelmatig  van vrienden/familie/collega’s de vraag of ik niet eens een nieuwe post ga schrijven. Ook onbekenden vinden nog steeds de weg naar mijn blog, en wel via Google. Op WordPress kan ik zelfs zien via welke zoektermen iemand op “Capriolen” terechtkomt.

De top 10 van all time meest gebruikte zoektermen zijn echter niet de meest flatterende. Ze gaan allemaal over gebroken tenen en opgezwollen gezichten en ogen. Pas op de 10de plaats staat mijn naam.

gebroken teen 46
koek 24
opgezwollen gezicht 23
gezwollen oog 21
opgezwollen ogen 17
gebroken voet 16
opgezwollen oog 16
gezwollen ogen 15
gebroken grote teen 13
sanne crombecq 12

Uit een grondige analyse van de zoektermen blijkt echter tevens dat sommige mensen succesvol beroep hebben gedaan op mijn blog.

Zo heb ik de persoon die het internet doorzocht naar “onderwerpen voor ongemakkelijk telefoongesprek” ongetwijfeld op het juiste spoor gezet met mijn post over ongemakkelijke gesprekken (niet per se telefonisch, maar op alle communicatievormen van toepassing):

“WAT? gesprekken die tandenknarsend pijnlijk, awkward, doodweg onzinnig of hemeltergend saai zijn. conversaties waaraan elke weldenkende mens zo snel mogelijk een einde zou willen maken, maar waaraan hij om een of andere reden niet kan ontsnappen. een wezenlijk kenmerk van zulke gesprekken is het banale en triviale onderwerp (doorgaans het weer).”

Hopelijk is ook mijn foto van een konijn met een pannenkoek op zijn hoofd een nuttige bijdrage geweest.

Verder heeft de persoon met de prangende vraag “hoe maak ik zo’n mooie veeg met puree op een bord” ongetwijfeld iets opgestoken van mijn schrijfsel over de treffende gelijkenis tussen kattenkots en gerechten van sterrenchefs (met “zo’n mooie veeg met puree”, jawel):

“een mooie presentatie op het bord, uitgelegd aan de hand van kattenkots, ziet er als volgt uit. eten wordt brokkerig en “casual” (niet strak en symmetrisch, da’s zoold school) gepresenteerd in een lijn. deze rommelige lijn van eten wordt gekenmerkt door verschillende kleurtjes, hier en daar een hoogteverschil, versierd met een bladje munt ofzo. maar desalniettemin een lijn zoals deze ook uit uw liefste huiskamertijger spuit wanneer die te hard heeft liggen schrokken of plezierig gras heeft zitten eten. deze “eetlijn” wordt vervolgens versierd met enkele vegen errond op het bord. de uitgeveegde strepen puree of saus (doorgaans balsamico, al is dat al te mainstream tegenwoordig) zijn het evenbeeld van wat mijn kat op de vloer teweegbrengt als zij haar braaksel tevergeefs wilt ondergraven met haar poezelige voorpootjes, maar hier uiteraard niet in slaagt en in plaats daarvan de grond besmeerd met vegen kots en andere samengeraapte vuiligheden van de grond. de “spatten” eten, waar sterrenchefs graag het bord verder mee opvullen, manifesteren zich eveneens in het overgeefsel van katten: braken gebeurt immers meestal in fasen, waarbij de kat zich enkele centimeters verplaatst (bijvoorbeeld van de leren zetel naar het perzische tapijt, kwestie van toch zacht te zitten tijdens deze vervelende gebeurtenis) om daar verder over te geven.”

Ik gaf een duidelijk en klaar advies aan de hand van deze metafoor en hoop dan ook dat sterrenchefs-in-spe er iets aan gehad hebben.

Nog iemand anders (of dezelfde persoon, met dan wel zeer veel eigenaardige vragen en een eclectisch interessegebied) zocht via zoekmachines naar een “levensles van foute mensen“. Los van het feit dat ik me wel afvraag hoe en waarom ik blijkbaar kwalificeer als “foute mens”, denk ik wel dat ik enkele zinvolle onderrichtingen heb gegeven in mijn stuk over late levenslessen:

“LATE LEVENSLES 2: vrije uitloop kippen zijn niet dolgelukkige kippen met eindeloze velden ter hunner beschikking. bezorgd om dierenleed als ik ben, kocht ik uiteraard enkel eieren van vrije uitloop kippen. ik stelde mij hier dan een kippenparadijs bij voor, waar de kip van haar ei beviel in volkomen hygiënische en medisch verantwoorde omstandigheden, waarna mamakip terug buitenhuppelde richting horizon, door groen gras en onder een warm zonnetje. dit blijkt echter een ietwat naiëve voorstelling te zijn van het lot van een vrije uitloop kip.”

Tot slot meen ik ook te hebben bijgedragen aan de gemoedsrust van de persoon die in Google de volgende hartverscheurende hulpkreet uitte: “help mijn poes is een geheim agent“. Misschien is zijn kat eveneens totaal weerloos als het over eten gaat:

“de meest recente kamikaze-actie voerde kali uit in ons appartement in antwerpen (derde verdieping). ze sprong via een bureau naar een openstaand raampje en balanceerde enkele seconden op de rand, klaar om naar beneden te donderen. mijn zus – ook reeds gekend met kali’s straffe stoten – probeerde haar van de afgrond terug te lokken door haar naam te roepen. geen succes… (logisch misschien, want haar eigenlijke naam is waarschijnlijk iets als Андреевна Владимировна Достоевский). vervolgens besloot mijn zus om kali’s zwakste punt – haar kryptoniet als het ware – in de strijd te gooien: eten. ze riep “koekje! koekje!” en kali twijfelde geen milliseconde: ze stond meteen luidkeels te miauwen op de toog in de keuken om het beloofde koekje in ontvangst te nemen. she’s gone native.”

Uit de analyse van de zoektermen blijkt echter ook dat ik enkele mensen heb moeten teluerstellen. Ik vrees dat ik de personen die op deze blog terechtkwamen door het zoeken naar “homo banaan”, “fetisch verpleegster”, “bloedgeven in de bus”, “dikke homo hamster”, “harde schijf ontsteking in het gezicht”, “geslachtsdelen ijs”, “lavabo voor gehandicapten”, “banaan in mijn kut”, “aanleg kippenparadijs”, “homo belevenissen”, “zak over je hoofd en weggooien”, “verbrande kip, tekening” en “warm zonnetje”, niet heb kunnen helpen met hun intense zingevingsvragen.

Er was echter een levensvraag die ik niet onbeantwoord kon laten, namelijk: “wanneer kwamen de eerste prince koeken ?” en de hiermee gepaard gaande eerder stellige zoekterm “eerste princekoek“. Bij deze de geschiedenis van de princekoek.